Naslag · ruim 70 termen
Woordenlijst aardbevingen
Van aftershock tot zwerm: alle vaktermen die je tegenkomt op deze site en in nieuwsberichten over aardbevingen, alfabetisch en in begrijpelijk Nederlands uitgelegd.
Berichten over aardbevingen staan vol met jargon: magnitude, hypocentrum, EMS‑98, geïnduceerde seismiciteit. Deze woordenlijst legt elke term kort uit, in één of twee zinnen. De begrippen staan alfabetisch geordend. Waar een term een eigen verdiepingspagina heeft, verwijst de definitie daarnaartoe, zodat je dieper kunt graven wanneer je dat wilt.
De definities sluiten aan op de terminologie van het KNMI en de USGS. Zoek je een complete uitleg van hoe een beving ontstaat, lees dan eerst wat een aardbeving is. Wil je weten hoe sterkte wordt gemeten, kijk dan bij de schaal van Richter en de modernere momentmagnitude.
A
- Aardbeving
- Een plotselinge trilling van de aardbodem doordat gesteente langs een breuk verschuift en opgeslagen spanning vrijkomt als seismische golven.
- Aardkorst
- De buitenste, vaste schil van de aarde. Onder continenten 30 tot 50 km dik, onder oceanen circa 7 km. Hierin ontstaan de meeste ondiepe bevingen.
- Afschuiving
- Een breuktype waarbij het ene blok ten opzichte van het andere naar beneden glijdt, typisch waar de korst uitrekt. Komt voor in het Roergebied en bij Groningen.
- Aftershock
- Engelse term voor naschok: een kleinere beving die volgt op de hoofdschok in hetzelfde breukgebied.
- Amplitude
- De maximale uitslag van een trilling op een seismogram. Hoe groter de amplitude, hoe sterker de grondbeweging op dat station.
- Asthenosfeer
- De stroperige, gedeeltelijk smeltbare laag onder de lithosfeer waarover de tektonische platen langzaam bewegen.
B
- Beving
- Verkorte aanduiding voor aardbeving, ook gebruikt voor kleine schokken zonder zichtbare schade.
- Body waves
- Lichaamsgolven die door het inwendige van de aarde reizen, namelijk de snelle P‑golf en de tragere S‑golf. Zie seismische golven.
- Breuk
- Een scheur in het gesteente waarlangs blokken ten opzichte van elkaar kunnen verschuiven. De plek waar bevingen ontstaan.
- Breukvlak
- Het tweedimensionale oppervlak van een breuk waarlangs de verschuiving bij een beving plaatsvindt. De grootte ervan bepaalt mede de magnitude.
C
- Caldera
- Een grote kraterachtige inzinking die ontstaat als een vulkaan instort. Caldera's gaan vaak gepaard met vulkanische bevingen.
- Continentale plaat
- Een tektonische plaat die een continent draagt. Lichter en dikker dan oceanische platen.
D
- Diepte
- De afstand van het hypocentrum tot het aardoppervlak. Ondiepe bevingen (minder dan 70 km) richten doorgaans meer schade aan.
- Dilatatie
- Het uitrekken of samendrukken van gesteente onder spanning, voorafgaand aan breuk.
- Duur
- De tijd dat de grondbeweging voelbaar is. Bij zware bevingen kan dat enkele tientallen seconden bedragen.
E
- EMS‑98
- De European Macroseismic Scale van 1998, de standaard in Europa om de waargenomen sterkte van schudden in twaalf graden in te delen. Zie de mercallischaal en EMS‑98.
- Epicentrum
- Het punt op het aardoppervlak recht boven het hypocentrum. Het verschil staat uitgelegd bij hypocentrum en epicentrum.
- Epicentrale afstand
- De afstand van een meetstation of plaats tot het epicentrum. Bepaalt hoe sterk een beving daar voelbaar is.
- Energie
- De hoeveelheid bewegingsenergie die bij een beving vrijkomt. Elke hele magnitude meer betekent ongeveer 32 keer zoveel energie.
F
- Foreshock
- Engelse term voor voorschok: een beving die voorafgaat aan een grotere hoofdschok in hetzelfde gebied.
- Frequentie
- Het aantal trillingen per seconde, in hertz. Hoogfrequente golven veroorzaken vooral schade aan lage, stijve gebouwen.
G
- Gaswinning
- Het onttrekken van aardgas aan een reservoir. In Groningen daalde hierdoor de druk, wat geïnduceerde aardbevingen veroorzaakte.
- Geïnduceerde aardbeving
- Een beving die door menselijk handelen ontstaat, zoals gas‑ of mijnbouw, waterinjectie of stuwmeren. Lees meer over geïnduceerde aardbevingen.
- Gronddeformatie
- Vervorming van het aardoppervlak, bijvoorbeeld bodemdaling, gemeten met GPS of satellieten.
- Grondversnelling
- De versnelling die de bodem ondergaat tijdens een beving, vaak uitgedrukt als PGA. Bepaalt de kracht op gebouwen.
H
- Hoofdschok
- De krachtigste beving in een reeks. Voor‑ en naschokken horen bij dezelfde reeks.
- Hypocentrum
- Ook focus of bevingshaard: de plek diep in de aarde waar de breuk begint. Zie hypocentrum en epicentrum.
I
- Intensiteit
- De waargenomen sterkte van het schudden op een bepaalde plaats, beoordeeld via schade en gevoel. Niet te verwarren met magnitude; zie de mercallischaal.
- Inversie
- Een rekenmethode waarmee seismologen uit seismogrammen de bron en het breukverloop reconstrueren.
K
- KNMI
- Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, dat in Nederland aardbevingen meet en registreert.
- Korstbeving
- Een beving met een ondiep hypocentrum in de aardkorst, het meest voorkomende type in Nederland.
L
- Liquefactie
- Het verschijnsel waarbij verzadigde, losse zandgrond zich tijdelijk als vloeistof gedraagt door het schudden, waardoor gebouwen kunnen wegzakken.
- Lithosfeer
- De starre buitenlaag van de aarde, bestaand uit de korst en het bovenste deel van de mantel, opgedeeld in tektonische platen.
- Love‑golf
- Een oppervlaktegolf die de grond horizontaal zijwaarts laat schudden. Vaak verantwoordelijk voor veel schade.
M
- Magnitude
- Een maat voor de energie die bij een beving vrijkomt, gemeten op een logaritmische schaal. Begint bij de schaal van Richter.
- Mantel
- De dikke laag tussen korst en kern, waar trage stromingen de platen aandrijven.
- Mercallischaal
- Een twaalfdelige schaal voor de waargenomen intensiteit van schudden. In Europa opgevolgd door EMS‑98; zie de mercallischaal.
- Microbeving
- Een zeer lichte beving, doorgaans onder magnitude 2,0, die mensen niet of nauwelijks voelen.
- Mijnbouwschade
- Schade aan gebouwen door bodembeweging als gevolg van delfstofwinning, in Nederland beoordeeld door het IMG.
- Momentmagnitude (Mw)
- De moderne, meest betrouwbare magnitudeschaal, gebaseerd op het seismisch moment. Lees meer over momentmagnitude.
N
- Naschok
- Een kleinere beving die na de hoofdschok optreedt terwijl de breuk tot rust komt. Lees meer over naschokken.
- Normaalbreuk
- Een breuk waarbij het bovenliggende blok naar beneden glijdt, kenmerkend voor uitrekkende korst.
O
- Oceanische plaat
- Een tektonische plaat onder een oceaan. Zwaarder en dunner dan een continentale plaat en duikt daar vaak onder.
- Oppervlaktegolf
- Een seismische golf die langs het aardoppervlak loopt, zoals de Love‑ en Rayleigh‑golf. Trager maar destructiever dan lichaamsgolven.
P
- P‑golf
- De primaire golf, de snelste seismische golf, die het gesteente samendrukt en uitrekt en als eerste aankomt op een station.
- PGA
- Peak Ground Acceleration: de piekgrondversnelling, een belangrijke maat voor de kracht die een beving op bouwwerken uitoefent.
- Plaattektoniek
- De theorie dat de lithosfeer uit bewegende platen bestaat. De wrijving aan plaatranden veroorzaakt de meeste aardbevingen wereldwijd.
R
- Rayleigh‑golf
- Een oppervlaktegolf die de grond in een rollende, elliptische beweging laat schudden, vergelijkbaar met een golf op water.
- Reservoir
- Een ondergrondse gesteentelaag waarin gas, olie of water is opgeslagen. Drukverandering hierin kan bevingen opwekken.
- Richterschaal
- De historische magnitudeschaal uit 1935, geschikt voor lokale bevingen. Zie de schaal van Richter.
S
- S‑golf
- De secundaire golf, trager dan de P‑golf, die het gesteente dwars op de looprichting laat trillen en niet door vloeistoffen reist.
- Schaal van Richter
- Zie Richterschaal en de pagina over de schaal van Richter.
- Seismograaf
- Het instrument dat grondbewegingen meet en registreert. De registratie zelf heet een seismogram.
- Seismologie
- De wetenschap die aardbevingen en de voortplanting van seismische golven bestudeert.
- Seismische golven
- De trillingen die zich vanuit het hypocentrum door de aarde verspreiden. Een overzicht staat bij seismische golven.
- SodM
- Het Staatstoezicht op de Mijnen, de toezichthouder op de veiligheid van delfstofwinning in Nederland.
- Subductie
- Het wegzakken van de ene plaat onder de andere. De bron van de zwaarste bevingen, zoals langs de Ring of Fire.
T
- Tektonische plaat
- Een groot, star deel van de lithosfeer dat over de asthenosfeer beweegt. De randen zijn seismisch actief.
- Triggering
- Het verschijnsel waarbij de ene beving spanning verplaatst en zo een volgende beving op een nabije breuk uitlokt.
- Tsunami
- Een reeks zeer lange golven, meestal opgewekt door een onderzeese beving die de zeebodem plotseling verticaal verplaatst. Lees meer over de tsunami.
V
- Verwering
- De afbraak van gesteente aan het oppervlak, niet zelf een bevingsoorzaak maar wel van invloed op hoe grond schudt.
- Voorschok
- Een beving die aan de hoofdschok voorafgaat. Pas achteraf als zodanig te herkennen.
- Vulkanische beving
- Een beving veroorzaakt door magmabeweging onder een vulkaan, vaak een teken van naderende activiteit.
W
- Waterinjectie
- Het onder druk inbrengen van water in de ondergrond, bijvoorbeeld bij afvalwaterberging, dat geïnduceerde bevingen kan opwekken.
Z
- Zwerm
- Een reeks bevingen van vergelijkbare sterkte zonder duidelijke hoofdschok, vaak in vulkanische of geothermische gebieden.
Mis je een term of klopt er iets niet? Geef het door via de contactpagina. We breiden de lijst regelmatig uit op basis van vragen uit het onderwijs en van lezers. Een goed startpunt om begrippen in context te zien, is de uitleg over wat een aardbeving is.