In het kort
Een aardbeving ontstaat als gesteente langs een breuk in de aardkorst plotseling verschuift en de opgebouwde spanning vrijkomt als seismische golven. Naar oorzaak onderscheiden we tektonische, vulkanische en geïnduceerde bevingen. De trillingen reizen als P-, S- en oppervlaktegolven; die laatste richten meestal de meeste schade aan. Nederland kent zowel natuurlijke bevingen in Limburg als door gaswinning veroorzaakte bevingen in Groningen.
Definitie en mechanisme
Een aardbeving is een plotselinge ontlading van opgebouwde spanning langs een breuk in de aardkorst. De buitenste schil van de aarde bestaat uit grote starre platen die langzaam ten opzichte van elkaar bewegen. Waar twee blokken gesteente langs elkaar willen schuiven, blijven ze door wrijving aan elkaar haken. De spanning loopt jarenlang op tot het gesteente bezwijkt: het schiet in een fractie van een seconde los. De energie die daarbij vrijkomt, plant zich voort als seismische golven, en die golven voelen wij aan het oppervlak als schudden.
Het punt diep in de grond waar de breuk daadwerkelijk begint, heet het hypocentrum (of focus). Het punt recht daarboven, aan het aardoppervlak, heet het epicentrum. De diepte van het hypocentrum bepaalt mede hoe een beving aanvoelt: energie uit een ondiepe bron bereikt het oppervlak met minder demping dan energie uit een diepe bron. De achterliggende plaatbeweging die de spanning opbouwt, wordt uitgebreid behandeld op de pagina over platentektoniek.
Soorten aardbevingen
Aardbevingen worden meestal ingedeeld naar hun oorzaak. De drie hoofdtypen verschillen in waar de energie vandaan komt, maar het onderliggende mechanisme — breuk en ontlading — is steeds hetzelfde.
- Tektonisch — veruit de meest voorkomende soort, ontstaat door de beweging van aardplaten. Hieronder valt de zwaarste Nederlandse natuurlijke beving, bij Roermond op 13 april 1992 (magnitude 5,8).
- Vulkanisch — ontstaat als magma omhoog beweegt en gesteente openbreekt of doet kraken; deze bevingen kondigen soms een uitbarsting aan.
- Geïnduceerd — door menselijk handelen, zoals het winnen van aardgas. De bekendste voorbeelden zijn de bevingen in Groningen, waaronder die bij Huizinge op 16 augustus 2012 (magnitude 3,6).
Het verschil tussen natuurlijke en door de mens veroorzaakte bevingen is in Nederland geen academische kwestie: het bepaalt wie aansprakelijk is voor schade. De achtergrond van de door gaswinning veroorzaakte bevingen leest u op de pagina over geïnduceerde aardbevingen.
Hoe trillingen reizen: seismische golven
De energie verlaat het hypocentrum in verschillende soorten golven, die elk met een eigen snelheid en beweging door de aarde gaan. Het verschil in aankomsttijd tussen die golven gebruiken seismologen om de afstand tot het epicentrum te bepalen.
| Golftype | Beweging | Snelheid | Schade |
|---|---|---|---|
| P-golf | Compressie (samendrukkend) | ~6 km/s | Komt eerst aan, meestal gering |
| S-golf | Schuif (zijwaarts) | ~3,5 km/s | Sterker schudden dan P-golf |
| Oppervlaktegolven | Love en Rayleigh, rollend | Trager dan S | Veroorzaken meestal de meeste schade |
P-golven (primair) zijn het snelst en planten zich als drukgolven door zowel vast gesteente als vloeistof voort. S-golven (secundair) volgen later en schudden de grond loodrecht op hun looprichting. Aan het oppervlak ontstaan ten slotte de Love- en Rayleigh-golven; die rollen langs de bovenkant van de aardkorst, dempen langzaam uit en richten daardoor doorgaans de grootste schade aan bij gebouwen. De fysica achter deze golven, inclusief animaties en rekenvoorbeelden, behandelen we apart bij seismische golven.
Waar het in Nederland gebeurt
Nederland ligt niet op de rand van een aardplaat, maar beeft toch. In het zuiden, rond de Roerdalslenk in Limburg, komen natuurlijke tektonische bevingen voor; de beving bij Roermond op 13 april 1992 met magnitude 5,8 is de zwaarste die het KNMI er heeft gemeten. In het noorden veroorzaakt de winning van aardgas geïnduceerde bevingen: de beving bij Huizinge op 16 augustus 2012 (magnitude 3,6) was een keerpunt in het Groningse gasdebat.
Het opvallende verschil tussen beide gebieden zit in de diepte. De Groningse bevingen ontstaan op ongeveer 3 kilometer diepte, vlak onder bewoond gebied, terwijl de Limburgse beving van 1992 zo'n 17 kilometer diep zat. Daardoor kan een ondiepe beving met lagere magnitude lokaal harder aanvoelen en meer schade geven dan een diepere beving met hogere magnitude. Over de gevolgen voor het noorden leest u meer op de pagina over aardbevingen in Groningen.
Veelgemaakte misvattingen
“Aardbevingen ontstaan doordat platen aan het oppervlak verschuiven”
De plaatbeweging zelf is traag en vindt diep plaats. Een aardbeving is geen schuivende plaat aan het maaiveld, maar het plotseling bezwijken van gesteente langs een breuk op kilometers diepte.
“Een hogere magnitude betekent altijd meer schade”
Niet per se. Een ondiepe beving (Groningen, ~3 km) kan harder voelbaar zijn dan een diepere beving met hogere magnitude (Roermond, ~17 km), omdat de golven dan minder ver door de grond moeten reizen.
“Magnitude en wat je voelt zijn hetzelfde”
Magnitude meet de vrijgekomen energie aan de bron; wat mensen ervaren hangt af van diepte, afstand en ondergrond. Hoe die getallen werken, legt de pagina over de schaal van Richter uit.
“Het weer kan een aardbeving uitlokken”
Er bestaat geen wetenschappelijk aangetoond verband tussen weersomstandigheden en het ontstaan van aardbevingen. Bevingen ontstaan door spanning in het gesteente, niet door temperatuur of luchtdruk.
Verder lezen
Wilt u dieper de stof in? Begin bij de oorzaak met platentektoniek, leer hoe de trillingen zich gedragen bij seismische golven, of bekijk hoe magnitude wordt gemeten op de pagina over de schaal van Richter. Voor de Nederlandse context bieden de pagina's over Groningen en geïnduceerde aardbevingen actuele cijfers en achtergrond.
Bronnen
- KNMI (2024), “Aardbevingen — seismologie en metingen in Nederland”, knmi.nl.
- USGS (2024), “Earthquake basics: science of earthquakes”, earthquake.usgs.gov.
- SodM (2023), “Aardbevingen door gaswinning in Groningen”, sodm.nl.