Aardbeving.org
Wetenschap · seismologie

Naschokken

Na een aardbeving blijft de grond zelden meteen stil. Kleinere bevingen — naschokken — volgen in een voorspelbaar dalend tempo, soms weken of maanden lang.

Kort samengevat

Een naschok is een aardbeving die volgt op een grotere hoofdbeving, in hetzelfde breukgebied. Naschokken ontstaan doordat de spanning in de aardkorst zich herverdeelt na de hoofdbeving. Hun aantal neemt af volgens de wet van Omori, ongeveer als 1/(t+c). Ze zijn meestal lichter dan de hoofdbeving en kunnen weken tot maanden aanhouden.

Wat een naschok precies is

Een naschok is een aardbeving die optreedt nadat een grotere beving — de hoofdbeving — heeft plaatsgevonden, in of vlak bij hetzelfde breukvlak. De grens tussen hoofdbeving en naschok ligt niet vast in tijd of afstand: seismologen rekenen een beving tot de naschokken wanneer ze in de ruimte en tijd duidelijk samenhangt met de hoofdbeving en kleiner is. Verschuift de grootste klap naar later, dan wordt achteraf herbenoemd: de zwaarste beving in een reeks heet de hoofdbeving, alles ervoor heet voorschok en alles erna naschok.

Naschokken horen bij vrijwel elke betekenisvolle aardbeving. Ze treffen hetzelfde gebied dat al door de hoofdbeving is geraakt, waardoor verzwakte gebouwen extra kwetsbaar zijn. Daarom maken naschokken een onlosmakelijk deel uit van het seismisch risico, ook al zijn ze individueel meestal minder krachtig.

Waarom naschokken ontstaan

Een aardbeving lost spanning op één plek in de aardkorst op, maar verplaatst die deels naar de omgeving. Wanneer een breukvlak plotseling verschuift, verandert de spanningsverdeling in het omringende gesteente: sommige delen worden ontlast, andere juist zwaarder belast. Die opnieuw belaste zones komen dichter bij het punt waarop ze zelf bezwijken. Het resultaat is een serie kleinere breuken — de naschokken — die de spanningstoestand stap voor stap weer in evenwicht brengen.

Het mechanisme is hetzelfde als bij de hoofdbeving zelf: gesteente schuift langs een breuk wanneer de spanning de wrijving overwint. Wie wil begrijpen hoe die spanningsopbouw en -ontlading werkt, vindt de basis op de pagina wat is een aardbeving. Het verschil zit alleen in de oorzaak: een naschok wordt aangejaagd door de spanningsherverdeling die de hoofdbeving zelf veroorzaakte, niet door de langzame tektonische opbouw van daarvoor.

tijd na hoofdbeving (t) → naschokken per dag ≈ 1/(t+c)
De frequentie van naschokken daalt steil in de eerste dagen en vlakt daarna langzaam af — het patroon dat Omori in 1894 vastlegde.

De wet van Omori

De Japanse seismoloog Fusakichi Omori beschreef in 1894 een opvallend regelmatig patroon: het aantal naschokken per tijdseenheid neemt af omgekeerd evenredig met de tijd sinds de hoofdbeving. In moderne vorm wordt de frequentie benaderd door ongeveer 1/(t+c), waarbij t de verstreken tijd is en c een kleine constante die het begin afvlakt. De latere uitbreiding hiervan staat bekend als de gemodificeerde wet van Omori (Omori–Utsu).

De praktische betekenis is groot. Op de eerste dag treedt het overgrote deel van de naschokken op; daarna halveert het tempo in steeds langzamer tempo. Daardoor kan een seismologische dienst kort na een grote beving een statistische verwachting geven voor het aantal naschokken in de komende uren en dagen — geen exacte voorspelling, maar een kansinschatting.

Hoe lang naschokken duren

Naschokken kunnen weken tot maanden aanhouden; bij zeer zware bevingen zelfs jaren. Hoe groter de hoofdbeving, hoe langer en talrijker de naschokkenreeks. De allereerste uren en dagen zijn het drukst, waarna het aantal geleidelijk wegebt tot het normale achtergrondniveau van een gebied. Onderstaande tabel vat de hoofdkenmerken samen.

Typische kenmerken van naschokken na een aardbeving
KenmerkWat geldt meestal
GrootteVrijwel altijd kleiner dan de hoofdbeving
TempoHoogst direct na de hoofdbeving, daarna dalend (Omori)
DuurDagen tot maanden; bij zware bevingen jaren
LocatieIn of vlak bij het breukgebied van de hoofdbeving
RisicoKan reeds verzwakte gebouwen verder beschadigen

Naschokken in Groningen

Ook bij de geïnduceerde bevingen in Groningen treden naschokken op, al zijn de magnitudes er klein. Een duidelijk voorbeeld is de beving bij Zeerijp op 14 november 2025 met een magnitude van 3,4 — een van de zwaarste ooit in het gebied. Dezelfde nacht volgde om 06:39 een naschok van M 2,1. Het volledige verloop van die gebeurtenis staat beschreven op de pagina over de aardbeving bij Zeerijp in 2025.

Omdat Groningse bevingen ondiep zitten (rond 3 km), kan zelfs een lichte naschok aan het oppervlak voelbaar zijn. Voor bewoners betekent dit dat de grond na een hoofdbeving niet meteen tot rust komt. Hoe je je in zo'n situatie het best gedraagt, leest u op de pagina over veiligheid bij aardbevingen: blijf na de eerste beving alert op naschokken en mijd reeds beschadigde constructies.

Is de grootste schok altijd de eerste?

Nee. Meestal is de hoofdbeving de eerste én de grootste, en zijn alle latere bevingen kleiner. Maar dat is geen wet. In een kleine minderheid van de gevallen wordt een eerste beving achteraf als voorschok bestempeld, omdat er even later een nog zwaardere volgt. Welke beving uiteindelijk de hoofdbeving heet, hangt simpelweg af van welke de grootste magnitude had — en dat is pas met zekerheid te zeggen wanneer de hele reuks voorbij is.

Daarom geldt na elke betekenisvolle beving voorzichtigheid: een eerste klap betekent niet dat het ergste achter de rug is. De statistiek van de wet van Omori voorspelt het aantal naschokken redelijk goed, maar zegt niets met zekerheid over hun maximale grootte.

Verder lezen

Naschokken zijn één onderdeel van het bredere verhaal over hoe bevingen zich gedragen. Voor de tegenhanger — bevingen die juist vooraf gaan aan een zwaardere klap — is er een aparte uitleg over voorschokken. En voor de grondbeginselen van breuken, spanning en seismische golven biedt wat is een aardbeving het volledige overzicht.

Bronnen

  1. USGS (2024), "Earthquakes & aftershocks — Education", earthquake.usgs.gov.
  2. Omori, F. (1894), "On the after-shocks of earthquakes" (historisch grondleggend werk over de afnemende frequentie van naschokken).
  3. KNMI (2025), "Aardbevingen en seismologie in Nederland", knmi.nl.