Aardbeving.org
Instituut

Het KNMI en aardbevingen

Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut is bekend van de weersverwachting, maar het meet ook elke aardbeving in Nederland. Hoe werkt dat netwerk, en wat doet het KNMI juist niet?

Kort samengevat

Het KNMI registreert en analyseert aardbevingen in Nederland en bepaalt van elke beving de locatie, diepte en magnitude. Schadeafhandeling ligt bij het IMG; vergunningverlening en toezicht op de winning liggen bij SodM.

Wat het KNMI is en doet

Het KNMI (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut) is het nationale kennis- en datacentrum voor weer, klimaat en seismologie. Naast de weersverwachting houdt het instituut de bodem in de gaten: het registreert en analyseert aardbevingen in Nederland. Elke trilling die de Nederlandse ondergrond bereikt — natuurlijk of door menselijk handelen — komt binnen op de seismometers van het KNMI.

De seismologische taak draait om drie vragen die het instituut bij elke beving beantwoordt: waar gebeurde het, hoe diep, en hoe sterk. Die gegevens vormen de basis voor de catalogus van Nederlandse bevingen die het KNMI openbaar bijhoudt. Onderzoekers, gemeenten, de gaswinningssector en bewoners gebruiken die cijfers — bijvoorbeeld bij het melden van schade aan je huis of bij het beoordelen van de kans op nieuwe bevingen.

Het meetnet: ruim 70 stations en boorgaten

De kern van het werk is een seismisch meetnet van ruim 70 stations, verspreid over het land. In het noorden is dat netwerk veel dichter dan elders. Rond het Groningenveld staan stations dicht op elkaar, omdat juist daar de meeste — en de relevantste — bevingen plaatsvinden. Zo kan het KNMI ook zwakke trillingen betrouwbaar onderscheiden van bijvoorbeeld verkeer of machines.

Een belangrijk deel van het Groningse netwerk bestaat uit boorgatseismometers: sensoren die in geboorde gaten tot ongeveer 200 meter diep zijn geplaatst. Diep in de grond is het stiller dan aan de oppervlakte, waar wind, verkeer en mensen voortdurend ruis veroorzaken. Door de meting onder die ruislaag te plaatsen, vangt het KNMI ook de kleinste bevingen op. Dat verklaart waarom de bevingscatalogus voor Groningen zo fijnmazig is.

Oppervlak Gesteente S1 S2 S3 ~200 m hypocentrum
Dezelfde beving bereikt elk station op een net iets ander tijdstip. Dat tijdverschil is de sleutel tot de locatie.

Hoe een beving wordt gelokaliseerd

Een aardbeving stuurt seismische golven alle kanten op. Het KNMI bepaalt de plaats en diepte door de aankomsttijden van die golven bij verschillende stations met elkaar te vergelijken. Een station dichtbij de bron registreert de trilling eerder dan een station verderop; uit die tijdsverschillen valt terug te rekenen waar de beving begon.

Het principe lijkt op hoe een satellietnavigatie je positie bepaalt: met één meting weet je weinig, met drie of meer kom je tot één punt waar alle metingen samenvallen. Snelle golven (de P-golven) komen het eerst aan, gevolgd door de tragere S-golven; het verschil tussen die twee aankomsttijden zegt iets over de afstand. Wie precies wil begrijpen welke golftypes hier een rol spelen, vindt de uitleg op de pagina over seismische golven. Het verschil tussen het punt onder de grond en het punt eropboven leggen we uit bij hypocentrum en epicentrum.

Voorlopige versus definitieve magnitude

Vlak na een voelbare beving wil iedereen snel een cijfer: bewoners, media en hulpdiensten. Het KNMI publiceert daarom eerst een voorlopige magnitude, automatisch berekend uit de eerste binnenkomende metingen. Die waarde kan in de uren of dagen erna nog iets bijgesteld worden.

Bij de definitieve bepaling kijken seismologen handmatig naar de signalen van alle stations en corrigeren ze voor automatische fouten, ruis of ontbrekende data. De definitieve magnitude wordt opgenomen in de officiële catalogus. Een verschuiving van een tiende — bijvoorbeeld van 3,3 naar 3,4 — is normaal en betekent niet dat de eerste meting fout was; het is de natuurlijke gang van voorlopig naar gecontroleerd.

De taakverdeling: KNMI, SodM en IMG

Rond aardbevingen in Nederland zijn meerdere overheidsorganisaties actief, elk met een eigen rol. Het is een veelgemaakte vergissing om alles bij het KNMI te leggen. Het KNMI meet en analyseert, maar gaat niet over schadevergoeding of over de vraag of er gewonnen mag worden.

Wie doet wat rond aardbevingen in Nederland
OrganisatieVoluitRol
KNMI Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut Registreert en analyseert bevingen; bepaalt locatie, diepte en magnitude
SodM Staatstoezicht op de Mijnen Toezicht op de winning en advies over vergunningen en veiligheid
IMG Instituut Mijnbouwschade Groningen Behandelt schademeldingen en keert schadevergoeding uit

Kort gezegd: het KNMI levert de feiten over de beving zelf, SodM houdt toezicht op de mijnbouw en het IMG handelt de gevolgen voor bewoners af. Wie meer wil weten over de context waarin deze rolverdeling ontstond, leest het verhaal van de gaswinning op de pagina over Groningen en gaswinning. Wil je zelf zien welke bevingen recent zijn geregistreerd, kijk dan op de live kaart.

Verder lezen

Bronnen

  1. KNMI (2025), "Seismologie en het meetnet in Nederland", knmi.nl.
  2. SodM (2025), "Staatstoezicht op de Mijnen — toezicht op mijnbouw en veiligheid", sodm.nl.
  3. IMG (2025), "Instituut Mijnbouwschade Groningen — schade melden", schadedoormijnbouw.nl.